Als ik je deze week tegenkom God

Als ik je deze week tegenkom God,
in welke mens dan ook,
en je doet een beroep op mij;
laat me dan voor één keer niet piekeren of ik wel tijd genoeg heb,
of ik wel geld genoeg heb,
of ik wel sterk genoeg ben
om je te geven wat je vraagt.

Als ik je deze week tegenkom God,
in welke mens dan ook en je hebt hulp nodig;
laat mij dan voor één keer niet treuzelen
tot een ander het opknapt.
Iemand die vast sterker is,
iemand die vast meer tijd heeft,
iemand die beter missen kan waaraan jij gebrek hebt.

Als ik je deze week tegenkom God,
in welke mens dan ook en ik hoor je vraag;
laat me dan voor één keer
niet afwegen
of het niet anders kan
of je het wel waard bent
of ik er wat mee opschiet
of ik niet wat beters te doen heb.

Als ik je deze week tegenkom God,
in welke mens dan ook,
en je kijkt me aan;
laat me dan voor één keer
onbezorgd
alles uit de kast halen,
niets achter de hand houden,
mijzelf helemaal geven
in het volste vertrouwen
dat ik goed terecht kom.

 

(Gedicht Hans van de Pol, 1997)